Alke Liebich was op vakantie. En als je in een van oorsprong katholiek land op vakantie bent, en ook nog iets met kerken heb, tja dan is er geen ontkomen aan. Veel kerken om even binnen te lopen.
Ik was in Noord-Italië op vakantie, en ook daar veel mooie kerken ter keuze. In de fraaie Duomo van Trento was zó veel te zien – ik keek mijn ogen uit. En ik bleef staan, lang staan, bij een eeuwenoud verweerd Mariabeeld. Dat beeldje met een volwassen kijkende knaap op Maria’s schoot stond vroeger buiten, in een nis aan de zijkant van de Dom. De rivier Adige stroomt midden door deze stad, en het gebeurde dat er een onbekende ongelukkige de dood vond in de rivier. Er ontstond de traditie om onbekende drenkelingen bij het Mariabeeld neer te leggen. Het beeld werd de Madonna van de verdronkenen genoemd.
Hoe lang en hoe lang geleden dat zo was vertelt het verhaal niet. Omdat de tand des tijd het beeld te zeer had aangetast, belandde het binnen in de dom, en verloor het zijn functie. Het kan nu alleen nog het verhaal van vroeger vertellen. Geen drenkeling meer die aan haar voeten wordt gelegd.
Waarom kon deze eenvoudige vrouw mijn aandacht vasthouden? Zij was niet de enige Maria in Dom, en meestal heb ik er niet zo bijster veel mee. Te veel en te obligaat. In de katholieke traditie is Maria steeds weer het perfecte scherm waar heftige emoties op geprojecteerd kunnen worden.
Niet alleen maar geprojecteerd en herhaald, ze lijkt er ook iet mee te doen: de emoties worden aangeraakt. Haar minzame glimlach en haar moederhanden die het knaapje Jezus vasthouden, verwelkomen de emoties, verwelkomen de drenkeling. Zalig het volk dat toegang heeft tot een dergelijk troostend scherm. En zalig die ene mens die haar onfortuinlijke medemens – de drenkeling – in deze troostende aandacht legt. Dat onzichtbare gebaar bleef me bij – niet het beeldje zelf, maar wat het teweeg heeft gebracht. Het vermogen tot medemenselijkheid was zichtbaar door vele eeuwen heen.
Alke Liebich
Ambulant predikant

