Niets is wat het lijkt. Deze gedachte loopt als rode draad door de queer theologie. In het boeket van theologische stromingen zou je queer theologie als de pinksterbloem kunnen beschouwen, zo’n bloem die je net even op het verkeerde been zet.
door Klaas Douwes
Dit artikel verscheen eerder in VrijZinnig, het ledenblad van de VVP Nederland
Het woord queer is afkomstig uit het Engels. Dat de term uit een vreemde taal komt is wel toepasselijk, want het woord zelf betekende oorspronkelijk gewoonweg ‘vreemd’ of ‘merkwaardig’. Maar vanaf het einde van de negentiende eeuw kreeg queer een andere invulling. Het werd steeds vaker gebruikt als denigrerende benaming voor homoseksuelen. Qua klank zou je het kunnen vergelijken met een woord als ‘flikker’. Totdat het in de jaren tachtig als geuzennaam omarmd begon te worden door de lhbti-gemeenschap. Sindsdien is queer vooral een (positief) paraplubegrip voor iedereen die afwijkt van de heersende hetero- en gendernormen. Meer nog is queer een vorm van verzet tegen deze hokjes.
Acceptatie en het gebrek eraan

Queer theologie in meervoud
Tot nu toe heb ik geschreven over queer theologie – enkelvoud. Maar eigenlijk bestaat er een veelvoud aan queer theologieën. Dat is natuurlijk ook niet gek voor een stroming die opkomt voor diversiteit. Aanvankelijk kwamen queer theologen vooral op voor de acceptatie van christenen die buiten de geijkte seksuele paden treden. Dat kan bijvoorbeeld door de Bijbel ‘queer’ te lezen. Denk aan een andere uitleg van het beruchte verhaal over Sodom en Gomorra of andere Bijbelteksen waarmee lhbti’ers van oudsher worden verketterd. Maar het kan ook door juist de positieve Bijbelverhalen te benadrukken, zoals die over David en Jonathan of het dubbelgebod van de liefde. Als liefde het grootste gebod is in de Bijbel en God zelf liefde is, hoezo zou oprechte liefde tussen mensen dan strijdig kunnen zijn met het geloof? Een andere manier is om te theologiseren vanuit de specifieke ervaring van lhbti’ers. Wie afwijkt van de norm houdt er automatisch een ander perspectief op het leven én het geloof op na. Queer theologie brengt deze afwijkende en vaak gemarginaliseerde of zelfs vervolgde stemmen tot klinken. Een nog andere invulling van queer theologie is om niet zozeer acceptatie en emancipatie centraal te stellen, maar om de theologie zelf kritisch te bevragen. En dan vooral de hokjes en vakjes.
Hokjes en vakjes

Geloven zonder onderbroek
Wat betreft het strijden tegen al te rigide hokjes zie ik overeenkomsten tussen queer en vrijzinnige theologie. Beide vormen van theologie pleiten voor verdraagzaamheid en waardering van onderlinge verschillen. Al zou bij veel vrijzinnigen, net als met de feministische theologie destijds in de jaren tachtig, het idee kunnen leven: Bij ons niet nodig. Het is immers toch goed gesteld met de acceptatie van lhbti’ers in de vrijzinnigheid? Toch schuilt daarin het risico van zelfgenoegzaamheid. Bovendien is queer theologie meer dan alleen een pleidooi voor de inclusie van lhbti’ers in de kerken. Het probeert mensen een spiegel voor te houden en op nieuwe manieren te leren te kijken naar elkaar en naar geloof. Queer theologen willen vooral af van zwart-witdenken en kleurloze bekrompenheid. Daarvoor in de plaats proberen ze creatieve, kleurrijke en dikwijls dwarse theologieën te ontwerpen. Vaak proberen queer theologen te provoceren en te ontregelen. Een bekend voorbeeld was Marcella Althaus-Reid met het inmiddels klassieke boek ‘Indecent Theology’ (onfatsoenlijke theologie). Althaus-Reid schreef ontwapenend over seks en sprak beeldend over ‘een theologie zonder ondergoed’. Ontregelen en ontregeld worden zou volgens mij best weer wat meer omarmd mogen worden door de vrijzinnigheid. Niet als doel op zich, maar als middel tot. Want met een ‘bequeerde’ vrijzinnigheid ontstaat er nog meer ruimte voor onze idealen van verdraagzaamheid, gelijkwaardigheid en radicale liefde.

