Uit recent onderzoek blijkt dat veruit de meeste protestantse predikanten niet langer willen denken in hokjes als ‘orthodox’ en ‘vrijzinnig’.
Historicus Fred van Lieburg is gasthoogleraar aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) en deed onderzoek naar de zogenoemde modaliteiten binnen de Protestantse Kerk. De modaliteiten zijn de ‘geloofshokjes’ die van oudsher aanwezig zijn binnen de Hervormde Kerk (die in 2004 fuseerde met de Gereformeerde Kerken en Lutherse Kerk). De kerk kende een vrijzinnige vleugel, verwant met de Vereniging van Vrijzinnige Protestanten en een orthodoxe vleugel, georganiseerd binnen de Gereformeerde Bond. Daarnaast waren er nog andere hokjes, zoals de confessionelen, evangelicalen en het brede midden, beter bekend als midden-orthodox.
Uit het onderzoek van Van Lieburg, dat gepubliceerd zal worden in het tijdschrift Kerk & Theologie, blijkt dat bijna de helft van alle predikanten zich rekent tot de midden-orthodoxie. Bijna veertig procent kan gerekend worden door de orthodoxie (zowel Gereformeerde Bond als confessioneel). De vrijzinnigheid is het kleinste hokje met slechts vier procent.
Wat Van Lieburg het meeste opviel is de negatieve reactie van een overgrote meerderheid van de dominees op de onderzoeksvraag. Het denken in hokjes en modaliteiten werd door de meesten als achterhaald beschouwd. Predikanten willen zich niet binden aan één geloofsstroming. Ze willen hun werk juist in alle openheid uitvoeren, met aandacht voor de verschillen. Daarnaast wordt het belang van het modaliteitsdenken niet langer gevoeld. Veel liever verenigen predikanten zich rondom bepaalde thema’s, zoals bij de Rode-lijn-demonstraties afgelopen jaar, of de groep predikanten die zich inzet voor het klimaat.
‘Deze resultaten herken ik beslist,’ laat Hetty Zock, interim-voorzitter van de VVP weten. ‘ De grenzen tussen de levensbeschouwelijke hokjes vervagen, worden fluïde. In de geestelijke verzorging is dat misschien wel het meest zichtbaar. Een derde van de geestelijk verzorgers heeft op dit moment geen binding met een levensbeschouwelijk genootschap en zij werken meestal in contexten waarin levensbeschouwelijke hokjes nauwelijks meer tellen. Het gaat om: wat is echt belangrijk voor je, wat is van waarde, waardoor laat je inspireren en waar wil je je voor inzetten? Zij kijken systematisch over grenzen heen.’
‘Je ziet trouwens ook dat er meer grensverkeer en samenwerking komt in vrijzinnige kring. Voorganger van de VVP en Vrijzinnigen Nederland gaan naar gezamenlijke studiedagen, en in hun gemeenschappen tref je (al heel lang) vogels van diverse pluimage. De vrijzinnigheid is altijd al fluïde geweest. Toch lijkt er wel zoiets te zijn als een bepaalde mentaliteit, een attitude die ‘vrijzinnigen’ onderling herkennen. Het dilemma is echter – en ook dat inzicht is niets nieuws – dat je toch een organisatie nodig hebt om datgene waar je voor staat, die attitude, vorm te geven en te bevorderen. In de VVP nieuwe stijl, die op de ledenvergadering op 6 februari een feit zal zijn, willen we dan ook nadrukkelijk over de grenzen heen kijken: uitreiken naar ‘vrijzinnige’ personen en organisaties binnen de PKN en samenwerken met andere vrijzinnige organisaties. Om te werken aan wat we op dit moment zinvol vinden, in woord en daad, op theologisch maar ook op maatschappelijk gebied.’

